The Square: de schijn is werkelijkheid

In het Filosofisch Actueel en Maatschappelijk Gesprek bespreken studenten en staf van de master FCB een documentaire, film of artikel. In het kader van dit college schrijven de studenten een filosofisch essay. In deze bijdrage reflecteert Boris Pinksterboer op The Square, een Zweedse film die volgens Boris “demonstreert dat de schijn werkelijkheid is”.

The Square is een exposé van een postmoderne wereld. Centraal staat de schijn: de hoofdpersoon is zelf een schijnfiguur: zijn waardensysteem is een inconsistent geheel van lege spreuken en zijn bril is niet op sterkte. De kunstwereld waarin hij verkeert staat in dienst van de massamedia. Zo ook The Square, het kunstwerk, waar het allemaal om draait. Het hoogtepunt van de film demonstreert dat de schijn werkelijkheid is: niets biedt bescherming tegen de acteur die in de balzaal niet uit zijn rol treedt.

De hoofdpersoon, Christian, wordt in de eerste scènes gelijk geproblematiseerd. Zijn werk lijkt primair een commerciële bezigheid, gericht op het aanbieden van het nieuwste van het nieuwste aan een groot publiek. Hij weet de postmoderne wartaal op zijn website niet beter te vertalen dan een schrikbarend oppervlakkige vraag naar de contextafhankelijkheid van de status van kunst als kunst. Vervolgens wordt in de voorbereiding op een belangrijke speech de kunst van het misleiden zichtbaar. Zijn toespraak is een simulacrum van het derde niveau: een verhulling van het ontbreken van een origineel. De kijker weet dat achter zijn ingestudeerde oprechtheid een werkelijke verhouding tot het kunstwerk ontbreekt.

Een andere prachtige ontmaskering vindt plaats na de rampzalige promotie van The Square. In een gesprek met Elna, een autoriteit binnen het museum, verantwoordt Christian zich met een voorgekauwd principe: alles taboes moeten doorbroken worden, en dit is het moment. Elna zucht en kijkt hem aan. Daarop zegt hij, haaks op het voorgaande: ‘je weet toch dat ik niets met dit hele gebeuren te maken heb?’.

Verder is er de algemene aandacht die Christian vestigt op het uiterlijk beeld dat hij uitdraagt. Hij rijdt rond in een Tesla. Die auto fungeert als statussymbool, en als beschermend omhulsel tegen het angstaanjagende volk. Dat kan alleen niet allebei tegelijk: een Tesla met een deuk werkt niet meer. Maar misschien is het meest confronterend toch de figuur van Anne, waarmee hij op een zeker moment een afstandelijke beleving deelt. Waar Christian zich niet bewust lijkt te zijn van wat ik beschreven heb, is Anne de belichaming van de luchtige reflexiviteit van het postmoderne. Zij is zich bewust van de schijn, maar weet  zich spelenderwijs aan te passen. Ze leeft achteloos samen met een aap en steekt continu lachend de draak met Christian. Wanneer zij hem ondervraagt over hun escapade, ontmaskert zij hem: ondanks zijn linkse principes zien we zijn machtswil, die opvallend echt lijkt. Tip: let op de scène waarin Christian zelf zijn condoom wil weggooien.

Tot slot wil ik de twee mediaconstultants noemen, die zogezegd ‘geboren’ zijn in de wereld van het netwerk. Het publiek is voor het duo een massa met een extreem korte aandachtsspanne. Het bespelen van de communicatiestromen is het brood op hun plank. Hun taal is het spreken over het spreken. De boodschap gaat aan hen voorbij. Het enige doel is het overstemmen van de ‘ruis’. Deze hele praktijk wordt door hun baas, met zijn absurde baby en zijn retorische behendigheid, diplomatiek verwoord als het ‘verkennen van het medialandschap’.

Al met al schetst de film een maatschappelijk beeld waarvoor tevens een metafoor wordt geboden: de grote stapel stoelen houdt visueel stand, maar is als je luistert allang ingestort. Dankbaar ben ik voor de geweldig geacteerde aapman en het feit dat script en beeld geen postmoderne fratsen vertonen. De kijker kan het geheel vanuit de comfortabele stabiliteit van het werkelijke rustig gadeslaan.

Tegenlicht en “de oude geluksmeester” Aristoteles

In het Filosofisch Actueel en Maatschappelijk Gesprek bespreken studenten en staf van de master FCB een documentaire, film of artikel. In het kader van dit college schrijven de studenten een filosofisch essay. In deze bijdrage schrijft Tim van der Meulen over de Tegenlicht aflevering Rendement van geluk. Hij stelt drie vragen over de gelukseconomie aan de hand van “de oude geluksmeester” Aristoteles.

 Als het aan de bedrijven uit de Tegenlichtaflevering ‘Rendement van geluk’ ligt, wordt geluk in plaats van winstmaximalisatie de nieuwe drijfveer van de economie. Sympathiek, maar wat verstaan deze bedrijven onder geluk? En wat kunnen ze leren van de oude geluksmeester Aristoteles zelf?

Happy is the new rich’ is de slagzin van The Happy Startup School, een Engels bedrijf dat naar eigen zeggen de economische maatstaf van succes op zijn kop zet. In plaats van succes af te meten aan winst, zou de economie volgens hen in de eerste plaats gericht moeten zijn op geluk. De redenering die daaraan ten grondslag ligt, is eenvoudig: mensen streven in de eerste plaats naar geluk, en geld maakt niet altijd gelukkig. ‘Happy is the new rich’ is wat betreft The Happy Startup School de slagzin waarop een nieuwe economische wereldorde gestoeld moet worden: die van de betekeniseconomie. Dat klinkt sympathiek, maar wat voor geluksopvatting is het die deze orde moet dragen? En wat voor wat voor uitdagingen ziet de betekeniseconomie zich daarmee gesteld?

Wanneer het in de aflevering over geluk gaat, zoemen woorden als betekenis, gemeenschap, welzijnsbeleving en andere aanverwante termen voortdurend rond. Het precieze verband daartussen blijft enigszins duister. Ook een antwoord op de vraag op wiens geluk bedrijven zich moeten richten blijft in het midden: dat van de werknemers, de consument, de hele samenleving? Hoewel de verschillende geïnterviewden niet helemaal hetzelfde lijken te zeggen, verwijst geluk bij allemaal naar een genoeglijk gevoel dat voortkomt uit het verrichten van betekenisvol werk, dat wil zeggen werk met het oog op het goede voor de gemeenschap. Bijdragen aan het goede voor de gemeenschap maakt zelf gelukkig.

Het meest sprekende voorbeeld daarvan in de aflevering is de Amerikaanse browniebakkerij Greyston Bakery. Met een open hiring-beleid, moestuintjes, kinderopvang en het stimuleren van werknemers om hogerop te komen, probeert het bedrijf de lokale gemeenschap te versterken. Door juist degenen die weinig uitzicht hebben op een baan te ondersteunen, worden die in staat gesteld volwaardig mee te draaien in de gemeenschap. En dat dat de werknemers niet onberoerd laat, toont opzichter Dion Drew, voormalige straatdealer, bij wie de tranen over zijn wangen rollen als hij vertelt dat hij door zijn werk een gezin heeft kunnen stichten. ‘I started all that here. Everything that I achieved, I achieved at Greyston.’

Deze opvatting van het menselijk geluk als het hoogste goed dat in dienst staat van de gemeenschap, doet sterk denken aan Aristoteles. In zijn architectonische deugdethiek wijzen alle goederen via het geluk van de mens uiteindelijk omhoog naar het goede voor de stadstaat, de volkomen gemeenschap – die al dat goeds vervolgens weer mogelijk maakt. Met Aristoteles op zak hebben de betekeniseconomen inderdaad een interessantere opvatting van succes dan ‘succes = winst (= geluk)’; en een die bovendien, vanuit oprechtheid en op grote schaal uitgevoerd, tot ingrijpende veranderingen zou kunnen leiden met betrekking tot onze inspanningen om het klimaat te redden, armoede tegen te gaan en andere wereldverbeteraarsprojecten te ondernemen. Het is geen gekke gedachte dat de ‘geluksbedrijven’ meer gedaan krijgen dan de huidige gevestigde orde.

Tegelijkertijd lijkt de Aristotelische opvatting van de zin van een bedrijf nog weinig doordacht door de geluksbedrijven. De verschillende initiatieven die in de aflevering voorbijkomen, van de puinhuizen voor Haïti tot Koken met Oma, allemaal lijken ze te zijn ontstaan door een plotselinge of gerijpte drang om iets te doen voor de medemens. Die bezieling is de basis voor verandering, maar als de betekeniseconomie een serieus alternatief voor de huidige economische orde wil worden, zijn er alleen al vanuit de deugdethiek van de oude meester Aristoteles zelf enkele grote vragen over hoe die bezieling in goede banen geleid kan worden. Hieronder heb ik een drietal van de meest prangende vragen uitgewerkt.

  1. Hebben de geluksbedrijven een adequaat begrip van geluk? En wat als dat niet zo is?

Het geluk dat gepaard gaat met betekenisvol werk, lijkt voor de geluksbedrijven vooral een genoeglijkheid te behelzen. Er wordt van alles gedaan om het werk lief, zacht en vooral leuk te doen voorkomen. Typerend is het bij vrijwel ieder bedrijf (en ieder hip café tegenwoordig) overal terugkomende krijtbord of whiteboard waarop met ‘leukige’ tekeningetjes, speelse lettertjes en kleurtjes de bedrijfsvisie of een of ander stappenplan uiteengezet wordt. Maar ook de kinderlijke schema’s van The Happy Startup School of de empathisch knikkende bedrijfsleider van Greyston wekken de indruk van knusse genoeglijkheid.

Dat is zonder twijfel een mogelijke vorm van geluk, maar Aristoteles’ geluksopvatting is breder. Hij wijst erop dat geluk in de eerste plaats het genieten van goed handelen betreft. Het genot van de politieagent die een perfecte inval doet en in de daarmee gepaard gaande vechtpartij gewond raakt, staat ver af van de knusheid van het krijtbord. En kan er niet ook sprake zijn van geluk bij iemand die na een zwaar verlies goed vorm weet te geven aan zijn rouw? In beide gevallen zijn pijn en verdriet bestanddelen van de goede handeling, en maken ze dus deels het geluk uit.

In de aflevering wordt deze vorm van geluk niet uitgesloten, maar het accent ligt op de lach. Stel echter dat er binnen de geluksopvatting van de geluksbedrijven geen ruimte is voor lijden en verdriet. Wat doet dat met de werknemers? Houden zij dan nog meer dan nu het geval is de schone schijn op? Plakken ze een Noord-Koreaanse grijns op hun gezicht om niet buiten de boot van de blijheidsdictatuur te vallen?

  1. Welke gemeenschap hebben de geluksbedrijven op het oog?

Deze vraag gaat voor Aristoteles in zekere zin nog vooraf aan de vraag naar het goede voor de gemeenschap (vraag 3), omdat duidelijk moet zijn op welke gemeenschap het goede betrekking moet hebben. Iedere gemeenschap heeft haar eigen hoogste goed. Voor Aristoteles zijn het uiteindelijk de burgers van de stadstaat die de gemeenschap uitmaken op wie het goede betrekking moet hebben.

Maar welke gemeenschap moet de betekeniseconomie op het oog hebben? De bedrijven uit de aflevering zijn daar bepaald niet eenduidig in: Nederlanders bedenken puinhuizen voor Haïti, Koken met Oma vindt alleen in Nederland plaats en de woestijnplanters opereren mondiaal. Vragen die hierbij onbeantwoord blijven, zijn bijvoorbeeld: Wanneer kun je spreken van een gemeenschap? Kan ‘de wereldbevolking’ een gemeenschap zijn? En kun je naar believen een gemeenschap kiezen waarvoor je je inzet, of dien je bijvoorbeeld zelf deel uit te maken van de uitverkorenen?

  1. Wat is dit ‘goede’ voor de gemeenschap waar de geluksbedrijven naar streven? En wie bepaalt dat?

Het hoogste goed van de gemeenschap was voor Aristoteles volstrekt helder: het in stand houden van de stadstaat. Daarop was alles in de stadstaat uiteindelijk gericht. Maar wat is voor de moderne geluksbedrijven het hoogste goed?

Vooralsnog lijken de doelen van de verschillende bedrijven intuïtief ingegeven. Als de betekeniseconomie echter daadwerkelijk van de grond komt, wordt de vraag naar het hoogste goed een dringende. Een voorbeeld: Nu overlappen de domeinen van de verschillende initiatieven elkaar nog niet, maar zodra dat wel het geval is, doet de politiek zijn intrede. Stel dat er naast de Greyston Bakery een wapenfabriek verrijst, die ook een open hiring-beleid voert, maar daarnaast niet openheid maar hardheid als hoogste waarde in het vaandel heeft, en in dat kader een boksschool opent zodat de werknemers zich op straat kunnen verdedigen. Hier conflicteren de goederen van de bedrijven nog niet noodzakelijk met elkaar, maar er zijn zonder moeite situaties voorstelbaar waarbij dat wel het geval is. Wie mag dan bepalen wat het hoogste goed is voor de gemeenschap? En wie heeft over die beslissing weer de zeggenschap?

De betekeniseconomie staat in de kinderschoenen. Haar grondbegrippen zijn nog niet opgehelderd, laat staan dat die een economische wereldorde zouden kunnen dragen. Maar ondanks de vragen: ‘Happy is the new rich’.

 

Financialisering en het faustische levensgevoel

De studenten van de master Filosofie van cultuur en bestuur komen regelmatig bijeen in het Spenglerlab. Hier mengen ze kunst, cultuur, bestuur, economie, politiek, klimaat en filosofie met De ondergang van het Avondland. Lees hoe zij met elkaar of met Spengler zelf in dialoog gaan.

In deze bijdrage interviewen Sebastiaan Crul en David van Overbeek Spengler. Over het denken in termen van geld en de financialisering van onze samenleving.

Welkom terug, heer Spengler. In het vorige interview zijn wij tot de slotsom gekomen dat de economie begrepen dient te worden vanuit de inbedding in een bepaalde cultuur. Daarbij zijn een aantal fenomenen en begrippen voorbijgekomen. We hebben het gehad over het oersymbool van de cultuur, het faustische gelddenken en de civilisatiefase van onze cultuur. U gaf aan dat als wij de economie daadwerkelijk willen begrijpen, we de samenhang van de economie met alle aspecten van een cultuur onder de loep dienen te nemen. 

Ja, ik probeer de samenhang van de economie met andere domeinen zoals de politiek, cultuur en religie te begrijpen. Daarnaast is voor mij de tijd cruciaal; elke cultuur kent een aantal fases waarin de economie zich op een andere wijze uit. Ik ben een historisch denker. De economie van onze faustische cultuur bevindt zich in de laatste fase van cultuur. Het is de periode waarin de wereldstad opkomt en er in de cultuur een vormenverlies optreedt. Deze civilisatiefase kent haar eigen dynamiek waarin gelddenken en kapitaal een dominante rol gaan spelen. Dit gebeurt in onze civilisatie, maar heeft tevens plaatsgevonden in de cultuur van de oudheid, de Chinezen of Arabieren. Echter, doordat elke cultuur haar eigen oersymbool heeft, is de wijze waarop het gelddenken en kapitaal dominant worden telkens verschillend.

Wat betekent het denken in termen van geld?

Geld is in de civilisatiefase een categorie van het denken geworden, net zoals men een wiskundig, technisch of juridisch denken kan onderscheiden. Het gelddenken opent de wereld op een bepaalde manier, maar dekt deze wereld op andere wijze toe. Het gelddenken is niet van alle tijden, maar verschijnt pas in de cultuurfase van de stedelijke economie. In een gestaag veranderend principe van de markt zien we dit duidelijk naar voren komen. In de beginfase van een cultuur is de markt een trefpunt van boerenbelangen, ze komen hier met hun goederen. Met die goederen zijn ze tevens vergroeid; een boer kan zich bijvoorbeeld verbonden voelen met zijn vee. In latere cultuurfases wordt de markt een trefpunt van waren. De stad begint dan het platteland steeds meer aan zich te onderwerpen. Het is hier waar het gelddenken komt opzetten en dat de algemene waarde van goederen gaat bepalen. Hiermee wordt tevens een reductie in werking gezet: het gelddenken bevoorrecht het denken in termen van kwantiteit boven het denken in termen van kwaliteit. De gemiddelde econoom ziet hier een positieve beweging in. Het uitdrukken van waarde in een geldbedrag is een basale vooronderstelling van een vrijemarkteconomie. Het gaat mij er niet om deze omslag te bekritiseren of te bejubelen, maar te laten zien wat er precies gebeurt in het gelddenken, daar waar de econoom vaak aan voorbij gaat. Zoals wij de vorige keer hebben besproken, is de handelaar als de bemiddelende stand dominant in deze beweging. Vandaag de dag zouden we dit financiële intermediairs noemen. Het zijn onder andere de pensioenfondsen, vermogensbeheerders, banken en durfinvesteerders. In de civilisatiefase wordt het gelddenken maatgevend voor alle domeinen van het leven. We kennen dit ook wel als de financialisering van de samenleving, waar de afgelopen jaren veel kritiek op is geleverd. Maar wil deze kritiek zinvol zijn, dan moet men wel begrijpen wat dit precies behelst.

Hoe zit dit precies, deze financialisering van de samenleving?

Sinds de overgang van een keynesiaans economisch model naar het neoliberale model heeft de financialisering in de westerse samenleving om zich heen gegrepen. In de kern is zij een manier van denken dat erop gericht is financiële winsten te behalen. Financiële winsten zijn hoofdzakelijk anders dan productionele winsten in de zin dat ze niet voortkomen uit het creëren van een overwaarde, maar juist dat ze waarde uit onderliggende activa onttrekken. Een voorbeeld hiervan is de financieel specialist die zich niet alleen bezighoudt met de passiva van bedrijven (door leningen te verstrekken), maar zich nu ook richt op de activa (door deze op een nieuwe manier te gelde te maken). Zo structureert hij de eigendommen van een bedrijf op een dergelijke manier dat het dagelijks gebruik hiervan en de winsten die uit dit gebruik voortvloeien twee aparte stromen worden. Dit noemen we securitisatie, en de financieel specialist zal uitleggen dat het wordt gebruikt om financiële risico’s van bedrijven uit te spreiden en om aan te verdienen. Wat hij niet vertelt is dat deze splitsing het financieel huishouden van het bedrijf nog complexer maakt, en daarmee een verdere vervreemding van het primaire bedrijfsproces in gang zet. Deze manier van denken vinden we echter niet alleen bij grote bedrijven en banken. Ze heeft zich geëmancipeerd. Denk maar aan bedrijven als Airbnb of Uber die ditzelfde gelddenken commercialiseert: de gewone man kijkt naar zijn huis of auto en ziet opeens mogelijkheden om aan deze bezittingen geld te verdienen op een manier die hij eerst niet voorhanden had.

Het gelddenken is in onze tijd breed geworteld en geen van ons in de civilisatiefase wezensvreemd. Tegelijkertijd wordt dit gekoppeld aan een nieuwe hoopvolle beweging die bedrijven als Airbnb en Uber bezigen. Waar ik in dezen graag op wijs, is dat achter zowel traditionele financiële instellingen als disruptieve start-ups dezelfde denkwijze schuilgaat: een reductie van kwaliteit tot kwantiteit. In een huis wonen betekent bijvoorbeeld in onze tijd iets heel anders dan voorheen. De relatie met ons huis kende een zekere levendige onuitputtelijkheid: de woning als geaard middelpunt van iemands bestaan, waar het voltrekkende leven ten volle geschiedt. Met het om zich heen grijpen van het gelddenken raakt de woning ontworteld, dreigt wonen gereduceerd tot een financiële strategie. De oorspronkelijke kwaliteit wordt ingeruild voor kwantiteit. Het is wederom de faustische denkwijze om al het oneindige te willen doorkruisen en beheersen.

Maar komt het gelddenken dan niet gewoon voort uit onze keuze voor een economisch model?

Er schuilen veel complexiteiten in het gelddenken. Als rekenend denken is zij het meest verwant met de wiskunde. Maar getallen doden, verstarren het levende en blikken terug, terwijl nog steeds een groot deel van de huidige economische wetenschap er heilig van overtuigd is dat zij met diens methodes vooruit kunnen blikken. We zien bijvoorbeeld dat het CBS een prognose van 2% economische groei voorspelt, de ECB verwacht dat de markt voor leningen zal aantrekken en de overheid een groei aan belastinginkomsten raamt. Voorspellen is onlosmakelijk verbonden met de praktijk van de economie. Maar we weten inmiddels dondersgoed hoe lastig voorspellen is, met name op macro-economisch niveau. De risicomodellen voorafgaand aan de crisis zaten er volledig naast. De wortels van het probleem zitten naar mijn mening al in het miskennen van de spanning tussen het worden en het gewordene. Het gaat niet zozeer om het inzien van de feilbaarheid van de modellen (dat kan iedere econoom ons bijbrengen), maar om de spanning tussen het leven en de wereld – die hier altijd doorheen speelt – zo goed mogelijk bloot te leggen. Het gelddenken van de economie herneemt een waargenomen wereld. De manier waarop zij hetgewordene herneemt, verschilt van cultuur tot cultuur. Wij hebben hetgewordene eerder al gekarakteriseerd als het dode en het starre, als een systeem van wetten en causale betrekkingen dat getalsmatig en wiskundig te definiëren valt. De mens moet zich echter altijd afvragen of het de werkelijkheid is die ons dwingt haar geheimen wiskundig te ontrafelen, of dat wij de werkelijkheid dwingen om zich wiskundig aan ons te uiten.

U gaf zonet aan dat het gelddenken per cultuur een verschillende uitwerking heeft. Wij hebben het de vorige keer gehad over het faustische geldbegrip. Hierbij dienen wij de waarde te begrijpen als een functie. Het blijft alleen voor ons lastig te bevatten wat dit precies behelst.

Misschien kan ik het geldbegrip verhelderen aan de hand van een korte introductie van de ruimtelijkheid van een cultuur. Ik bedoel echter niet de mathematische ruimte van de uitgebreidheid, maar de dieptebeleving van een bepaalde cultuur. Een belangrijk gegeven is dat elke cultuur de ruimte op een andere manier ervaart en daardoor deze op een andere wijze zal organiseren. Met een cultuur is altijd een bepaalde ruimtelijkheid gegeven. Het gaat hier dus niet om de vaststelling dat een cultuur zich in de ruimte bevindt, maar dat zij naar haar aard ruimtelijk is. Het faustische levensgevoel zorgt ervoor dat de ruimte op een bepaalde wijze wordt ervaren en dit speelt door in ons gelddenken en de economische organisatie. Denk aan wat ik zojuist de overeenkomst tussen traditionele banken en zogenaamde nieuwe disruptieve technologiebedrijven noemde. De existentiële ruimtelijkheid van het gelddenken verwijst altijd naar de verhouding tussen de ziel van een cultuur en de wereld. Het gaat om de ruimte die we altijd al bewonen voordat wij haar eventueel in haar mathematische karakter beschrijven. Ze is dus pre-mathematisch en ook zeker al pre-economisch.

Het zinnebeeld voor deze dieptebeleving is in de faustische cultuur het ‘ik in de oneindig lege ruimte’. Dit heb ik de vorige keer gedefinieerd als het oersymbool, dat zorgt voor een organisatie van de ruimte en het speelt in alle domeinen van het leven door, waaronder in de economie. De ruimte is bij ons een dynamische en beweeglijke ruimte. Daarnaast kent onze cultuur een ongekend streven naar het oneindige; wij willen de ruimte doorkruisen en beheersen. In de natuurwetenschap vormen kracht en massa hierbij de centrale ordeningsprincipes, in de economische wetenschap zijn dit geldstromen en vermogens. Zoals ik al aangaf, zien wij deze dieptebeleving in alle domeinen van het leven. De economische ruimte wordt begrepen als een krachtenveld van spanningen. Ons economisch bestel kent een planetair karakter waarbij kapitaalstromen de gehele wereld in een oogwenk doorkruisen. De moderne techniek spant een web van financiële spinsels om de gehele wereld. Bij de faustische cultuur wordt de economische ruimte zo ingedeeld dat een handeling van een individu tot in de verste uithoeken van de wereld kan reiken. Op deze manier wordt de werking van de wil van een individu gemaximaliseerd en krijgt onze ruimtelijkheid een planetair karakter. De hand van Mario Draghi draait aan de renteknoppen, Zuckerberg bepaalt het facebookbeleid, en Trump plaatst dikke duimpjes bij zijn twitterkreten.

Op welke wijze zien we dit dan terug in het faustische geldbegrip?

Vanuit mijn begrip van de dieptebeleving en het oersymbool van een cultuur krijgen we ook beter grip op het faustisch geldbegrip. Ik zal proberen het concreter te maken met twee voorbeelden. Eerst een voorbeeld uit de wiskundige wereld. Bij de Grieken werd een punt begrepen als de abstractie van een lichaam; de punt als abstractie van statische en bestendige lichamen. In onze cultuur is de ruimte juist een menigvuldigheid van punten die samen relaties onderhouden. Het is vanuit deze ruimtelijkheid dat Descartes zijn coördinatenstelsel met de x- en y-assen uitvond en de functie centraal kwam te staan binnen de wiskunde. De functie is dynamisch en staat een oneindig aantal variaties toe in diens variabelen. Deze ruimtelijkheid zien we ook terug in het gelddenken van de economie. Het geld zelf is een verzamelpunt van allerlei relaties in functionele betrekkingen. Als Elon Musk morgen met een goed idee komt hangt er overmorgen een prijskaartje van een miljardje of wat aan. Is het plan dan overmorgen gerealiseerd? Nee, maar de functionele betrekking die het idee inneemt aangaande relevante factoren maakt dat het idee veel geld waard is. Diens werkzaamheid en slagkracht zijn hierbij fundamenteel voor de bepaling van de waarde. Elon Musk staat bekend als een uitzonderlijk ondernemer. Bovendien staat hij garant voor het feit dat er makkelijk kapitaal wordt aangetrokken, trekt hij werktalent aan, onderhoudt hij goede betrekkingen met Silicon Valley en de overheid, en geniet hij bekendheid. Al deze relaties zijn relevant voor ons waardebegrip. Een idee van Elon Musk staat niet op zichzelf maar is iets waard vanwege de positie die het inneemt binnen dit veld van betrekkingen. Daarnaast zit er iets van een belofte in, een vooruitgrijpen op de toekomst, een manier om de oneindige ruimte te doorkruisen. Geld wordt ervaren als een kracht om een grote groep mensen in beweging te brengen. Dit is voor ons zo vanzelfsprekend dat wij niet meer zien welke ruimtelijkheid en oersymbool erachter schuilgaat.

De faustische zijnswijze verheldert zodoende ons begrip van globalisering. Globalisering van markten is een uitdrukking van deze diepe behoefte om de wil van het individu te maximaliseren, zowel in ruimte als in tijd. Financialisering en securitisering zijn hier uitdrukkingen van pur sang. Aan de ene kant kunnen kapitaalstromen globaal over de wereld trekken om overal waar het netwerk uitgestrekt is haar slagkracht uit te delen. Aan de andere kant zien we dat de vrije, onbepaalde toekomst gekoloniseerd wordt door machtige actoren die haar binnen de sjablonen van financiële relaties persen. Het is de uiting van het faustische levensgevoel dat boven alles het andere dáár en dán in het eigen hier en nu brengen.

 

Bijdrage Ad Verbrugge aan aflevering Zembla over Tinder

Zembla | Ad Verbrugge | 4 juni | Ad Verbrugge heeft een bijdrage geleverd aan de laatste aflevering van het programma Zembla. In de uitzending wordt door zowel gebruikers als deskundigen de invloed van de app Tinder op het moderne liefdesleven onderzocht. Verbrugge: “Eén van de effecten van Tinder zou kunnen zijn dat je heel erg op je eigen behoeften gericht raakt. Je eigen behoefte, je eigen bevrediging staat centraal, en vervolgens zoek je naar een ander die dat zo snel mogelijk kan inlossen. En dat betekent dat op het moment dat je dat niet krijgt, je overgaat naar de volgende.”

Bekijk de hele aflevering Love me Tinder hier terug.

Recensie ‘Het Retorische Weten’ van Emanuel Rutten in Trouw

Trouw | Emanuel Rutten | 3 juni | In Trouw is het nieuwste boek van Emanuel Rutten gerecenseerd. De auteur van het stuk loopt de verschillende essays in het boek langs en benadrukt daarbij zijn stijl. Vooral de originaliteit van Ruttens wereld-voor-ons kenleer en de bespreking van wereldbeelden springt de recensent in het oog. “Zijn [Emanuel Rutten, red.] goed beargumenteerde nadruk op de onkenbaarheid van de wereld op zich heeft iets verfrissends, net als zijn verruimde concept van redelijkheid dat hem toelaat om wereldbeelden anders dan alleen maar wetenschappelijk te beoordelen.”

Lees de volledig recensie hier terug (achter betaalmuur).

Stuk Gabriël van den Brink in De Volkskrant: erken rol normbesef

De Volkskrant | Gabriël van den Brink | 25 mei | Het Centraal Bureau voor de Statistiek kwam recentelijk met cijfers dat de criminaliteit in Nederland de afgelopen jaren flink gedaald is. Niet zo verwonderlijk, schrijft Gabriël van den Brink in een stuk in De Volkskrant. Volgens Van den Brink is Nederland helemaal niet zo tolerant als menigeen denkt: er zijn allerlei geschreven en ongeschreven regels met betrekking tot welk gedrag wel of niet wordt aanvaard. Zo wordt agressie de laatste tijd steeds minder geaccepteerd, met als gevolg dat asociaal gedrag neemt af.

Van den Brink vindt het bovenal opvallend dat sociale wetenschappers dit niet hebben zien aankomen. “De voornaamste les lijkt me echter dat sociale wetenschappers meer oog moeten krijgen voor de normatieve dimensie van het samenleven, omdat die zowel in positieve als in negatieve zin veel invloed op het voorkomen van asociale gedragingen heeft.” Lees het volledige stuk hier terug.

Column Haroon Sheikh in NRC: te veel conflict voor Amerika?

NRC | Haroon Sheikh | 21 mei | Een nieuwe column van de hand van Haroon Sheikh is verschenen in het NRC. In het stuk beschrijft Sheikh de huidige geopolitieke dynamiek en met name de rol van Amerika. Nu de grootmacht op diverse plaatsen op het wereldtoneel acteert en met landen in conflict komt, wordt het voor Trump steeds lastiger de balans te bewaren.

“Timing wordt de komende tijd het probleem voor Amerika. Een op een heeft het land de overhand in al deze conflicten. Maar het kan niet tegelijkertijd geloofwaardig druk uitoefenen op alle partijen. […] Amerika’s rivalen zullen daar graag gebruik van maken. De vraag is alleen: wie test als eerste of Trump bluft?” Lees de volledige column van Haroon Sheikh hier terug.

Nieuw boek Emanuel Rutten: voor wie grote vragen wil stellen

Het retorische weten van Emanuel Rutten ligt sinds kort in de boekwinkels. In deze bundel slaat de Amsterdamse filosoof een andere weg in. Vergeleken met zijn eerdere denken heeft Het retorische weten een uitgesproken existentieel karakter. “Wie de grote vragen durft te stellen, zal in mijn teksten iets vinden”.

Rutten had zelf niet verwacht dat het tot een publicatie zou komen. “Ik heb altijd gezegd dat dit werk niet echt uit te geven is”. Zijn eerdere boeken, Overdenkingen en En dus bestaat God, waren godsdienst filosofisch van aard en bewogen zich binnen het domein van de analytische wijsbegeerte. Ze kenden een helder afgebakende thematiek. Vergeleken met die boeken zou dit werk volgens Rutten zelf te complex en veelvormig zijn. Toch is in gesprek met Leesmagazijn besloten om tot publicatie over te gaan. “En ik ben er blij mee dat het gebeurd is. Het boek heeft iets van een mozaïsch karakter, je kunt het zien als een collage. Het is niet heel strak, thematisch opgezet, maar er wordt wel een wijze van denken zichtbaar. Het is een werk dat mij aan het hart gaat omdat hier voor het eerst mijn continentale denklijnen worden gepubliceerd. Het bevat bijdragen op het gebied van metafysica, esthetiek, existentialisme, liefde, lijden en bevat een aantal aforismen.”

Het is het eerste wat opvalt als je het boek openslaat: een diversiteit aan onderwerpen. Van retorica tot de ervaring van het verhevene, van het speculatief realisme tot nepnieuws, Rutten laat ogenschijnlijk geen levensdomein ongemoeid. Wat deze veelvoud aan teksten bijeenhoudt? Het antwoord op die vraag ligt besloten in de titel: het retorische weten. “Een groot aantal van deze essays zijn lezingen geweest en zijn daarna tot essays bewerkt. Er zit dus een retorisch moment in. Bovendien is Het retorische weten het scharnieressay van het boek. Dat bevat een gedachteontwikkeling waarin mijn kennisleer aan de orde komt en waarin ik teruggrijp op wat metafysica is. Ik verbind dat met het beoefenen van retorica.”

Het motief van het retorische weten komt ook in andere teksten naar voren. Zo laat Rutten in het essay over wereldbeelden overtuigend zien dat de kenmerken van de retorica en het karakter van wereldbeelden innig met elkaar verbonden zijn. “In de retorica is de inzet de volledige, existentiële ontwikkeling van de persoon. Tegenwoordig noemen we dat Bildung. Bij die persoonlijke ontwikkeling horen drie dimensies: logos, het redeneren, pathos, de emotie, en ethos, het karakter. Die drie dimensies vind je ook altijd in een wereldbeeld terug. Dus ieder wereldbeeld, of dat nu seculier of religieus is, heeft al die drie-eenheid. Het zijn existentiële gehelen. Dat is het retorisch karakter van een wereldbeeld.” Voor Rutten is zowel het zoeken naar waarheid als het beoordelen van wereldbeelden intrinsiek verbonden met de kunst van de retorica. De prikkelende stelling die daaruit volgt: het retorische weten is de kern van de filosofie.

Doordat dit werk een bundeling van allerlei verschillende essays is, reflecteert Rutten bovendien voor het eerst in zij werk over allerlei “kleine” fenomenen. Zo schrijft hij over zijn dochter en over Johan Cruijff. Tegelijkertijd verliest hij de grote vragen nooit uit het oog. In dat opzicht sluit Het retorische weten goed aan bij de werkzaamheden die Rutten bij Centrum Èthos verricht en de doelen die het onderzoekscentrum zichzelf stelt. “Het boek gaat over thema’s die de maatschappij en de existentie raken. Dat is ook typisch de wereld waarin Ethos zich wil begeven. Het gaat ons om het duiden van maatschappelijke ontwikkelingen, het filosoferen middenin het leven. In die zin is dit echt een Èthos boek.”

Ondanks de existentiële thematiek, blijft het werk van Rutten altijd een markant analytisch karakter houden. Hij formuleert met grote precisie, zelfs in de afsluitende aforismen. Het levert een kenmerkend werk op, geschikt voor zowel de filosofisch geschoolden als de geïnteresseerde leek. “Dit boek is voor mensen die de grotere, wijsgerig diepere vragen willen stellen. De filosoof Jeremy Bentham stelde dat in het leven alles draaide om genot en pijn. Dat is existentieel te schraal: alles in het leven draait om liefde en lijden. Dát zijn de twee thema’s. Wie daarover radicaal na wil denken, en ook de diep metafysische vragen wil stellen, zal in mijn teksten iets vinden.”

Studenten over hun ervaringen met master FCB

Begin je volgend jaar aan een master en denk je aan de opleiding Filosofie van Cultuur en Bestuur? Onze studenten vertellen hoe zij de studie ervaren, en wat je er wel en juist niet van kunt verwachten!

“Ik wilde altijd iets met filosofie doen, maar wist niet zo goed of ik daar wel voor moest kiezen.” Tweedejaars studente Ciske Groen geeft eerlijk toe dat ze eigenlijk niet zeker wist of de studie Filosofie voor Cultuur en Bestuur (FCB) wel wat voor haar was. Proefcolleges van docenten Emanuel Rutten en Ad Verbrugge overtuigden haar. “Toen dacht ik: dit ga ik doen! Ik vind de combinatie met praktijk en mijn eigen vakwetenschap heel mooi, naast deze studie volg ik ook een master Bestuurskunde. De opleiding is bovendien multidisciplinair en dat is in het huidige tijdsgewricht van belang. Als we bijvoorbeeld kijken naar de ecologische crisis of naar de vluchtelingenproblematiek, dan zijn dat thema’s die eigenlijk over de grenzen van één  vakwetenschap heen gaan. Je ontwikkelt hier een denkkader waarmee je dergelijke ontwikkelingen vanuit een breder perspectief kunt beschouwen.”

Het was de inhoud die eerstejaars student Paul Bosman bij de opleiding deed terechtkomen. Vanuit zijn studie religiewetenschappen kwamen bij hem vanzelf de cultuurfilosofische vragen op die bij de master FCB centraal staan. “Ik vind het echt fijn dat hier continentale filosofie op niveau wordt aangeboden. Het wordt écht inhoudelijk behandeld. Ook denkers die wat minder populair zijn of misschien niet per se bij deze tijd passen.” Sowieso breekt de master met een aantal van de landelijke trends. Waar Engels in rap tempo de voertaal van veel masteropleidingen aan het worden is, daar cultiveert FCB  het gesproken en geschreven Nederlands. Volgens Ciske is dat een absolute meerwaarde. “Het heeft mij zeker getrokken dat de opleiding in het Nederlands is. Je leert denken in je moedertaal. Dat is zeker belangrijk met de materie die hier aan de orde is. Voor mij is het fundamenteel dat je in de taal van je hart leert om je eigen denken te ontwikkelen.”

Naast de theorie kent de master zoals gezegd ook duidelijk een praktische kant. Marthe van Rijn, afgelopen september begonnen met de studie na een bachelor Politicologie, waardeert naast de grote filosofen die worden behandeld ook dit aspect. “Deze master biedt inzicht in mijzelf en hoe ik over de wereld nadenk. Dat biedt mij heel veel.” Paul is dat met haar eens. “Het gaat niet alleen om wijsheid uit boeken, maar ook om een bepaalde levenshouding. Je leert bovendien welke houding de andere studenten (met sterk uiteenlopende vooropleidingen) hebben. Het klinkt cliché, maar daarmee is de opleiding ook een plek waar je je karakter kunt ontplooien.”

De master FCB kent een eigen studievereniging: Thumos. Meerdere keren per collegejaar zijn er vanuit dit initiatief borrels, en er vinden geregeld uitstapjes naar lezingen of filosofische bijeenkomsten plaats. Denk hierbij aan bezoekjes aan De nacht van de filosofie, Brainwash festival en diverse lezingen. Dat zorgt voor een hechte groep, zo heeft ook Paul ervaren. “Het is leuk dat deze master zo kleinschalig is. Je komt snel in contact met de ouderejaars en gaat gezamenlijk studeren. Zonder dat je gedwongen wordt om vervelend groepswerk te doen.”

De toetsing is uitgebreid: zowel het schrijven van essays, als schriftelijke én mondelinge tentaminering staan op het programma. Marthe: “Voor mij springen de mondelinge tentamens er echt uit. Verwacht geen stampwerk: je wordt geacht de stof zelf te verwoorden. Zo kruip je als het ware in de ervaring van de filosofische gedachten.” Paul: “De toetsing is behoorlijk pittig. We krijgen mondelinge tentamens waarbij je individueel wordt getoetst. Het mooie is dat op die manier de docenten direct het contact met de studenten aangaan.”

Ciske benadrukt dat de master wel een behoorlijke investering van de student vraag. “Het is wel een opleiding waarbij je een brede interesse moet hebben, een drang naar diepgang en meer wilt ontdekken. Het ligt niet allemaal in consumeerbare brokjes klaar. Als je alleen komt om punten te halen, dan zit je op de verkeerde plek.” Dat laatste kan Marthe beamen. “Als je gewoon je diploma er doorheen wilt jassen, zit je hier niet goed.” Het is dan ook absoluut geen uitzondering als studenten die vakken al hebben afgerond, regelmatig hun gezicht laten zien tijdens de colleges. Gewoon, uit interesse. Of om een praatje te maken met docenten en medestudenten. Marthe: “Iedereen is gemotiveerd, dat is zo mooi! De mentaliteit die daar bij hoort is dat je er ook echt wat voor wil doen.”

Sheikh en Van den Brink doordenken onze polder in De Groene

De Groene Amsterdammer | Haroon Sheikh & Gabriël van den Brink | 23 februari | In een gezamenlijk essay in De Groene Amsterdammer hebben Haroon Sheikh en Gabriël van den Brink de lessen over het menselijk samenleven uit de Nederlandse polder ter sprake gebracht. Deze inzichten, zo beargumenteren zij, kunnen de hele wereld van nut zijn. “De aandacht gaat vaak uit naar één element van het leven in de polder, namelijk de noodzaak van overleg en samenwerking. Maar het loont de moeite om ook na te denken over andere elementen die een rol spelen en te begrijpen hoe ze op elkaar inwerken.”

Sheikh en Van den Brink bespreken – net als in de recent verschenen bundel ‘Waartoe is Nederland op aarde?’ – zes kwaliteiten die de nationale eigenheid van Nederland kenmerken. Deze kwaliteiten kunnen bovendien de basis vormen voor de rol die ons land op grotere schaal kan innemen. “Onze voorlopige conclusie is dat er een zekere analogie bestaat tussen de manier waarop het menselijk samenleven in de Nederlandse polder vorm kreeg en de uitdagingen waarvoor andere samenlevingen staan vanwege de huidige wereldwanorde. […] En dan is het antwoord op de vraag waartoe wij op aarde zijn niet alleen gelegen in het voortbestaan van ons eigen land, maar ook in een herkenbare bijdrage aan de wereld als geheel.”

Lees het gehele essay hier terug.